kleurig geregeld
 

piep(jonge lezers) piep(jonge lezers) piep(jonge lezers)

  Home
   
 

Pienter op pad met Piep(jonge lezers)

De werkserie(vervolg)

De opdrachtkaarten richten zich onder meer op onderstaande ontwikkelingsgebieden en leerdoelen. Het is belangrijk te beseffen dat al deze leerdoelen heel specifiek ingevuld kunnen worden passend bij het eigen niveau van de leerling. De leerkracht dient dus zelf in te schatten of de basisopdracht op het juiste niveau voor de leerling is en dient ook zelf in te schatten welke eisen aan het proces en het resultaat gesteld kunnen worden.  Let wel, niet álle doelen die toe te kennen zijn aan het materiaal zijn volledig uitgeschreven, wij geven hier slechts een selectie weer:

  • Cognitieve ontwikkeling
    • Rekenen/wiskunde
      • Het beheersen en toepassen van ruimtelijke begrippen.
      • Het beheersen van de getallenlijn tot 10 (en in incidentele gevallen hoger).
      • Beheersen en toepassen van begrippen als links/rechts.
      • Kunnen ordenen, rubriceren, classificeren met aanschouwelijk materiaal.
      • Kunnen ordenen, rubriceren en classificeren van abstracte begrippen.
    • Taal/denken
      • Kunnen bedenken, verwoorden en uitbeelden van een logisch verhaal met duidelijk begin, midden en einde.
      • Kunnen toepassen van verschillende rijmvormen (begin-, midden- en eindrijm).
      • Kunnen verwoorden van het eigen handelen.
      • Kunnen lezen en schrijven van eenvoudige woorden op ten minste MKM-niveau.
      • Kunnen verwoorden van zelfstandig verwerkte informatie.
      • Invulling kunnen geven aan abstracte begrippen.
    • De wereld om je heen
      • Kunnen verbeelden en uitbeelden van de directe leefomgeving, bijvoorbeeld door middel van tekeningen en schilderwerk.
      • Kunnen sorteren van informatie over de eigen leefomgeving.
      • Kunnen sorteren van informatie uit de eigen belangstellingssfeer.

  • Taakgerichte vaardigheden
    • Zelfstandig kunnen bedenken van een eenvoudig werkplan.
    • Zelfstandig kunnen verrichten van een eenvoudige taak.
    • Kunnen benoemen van leerervaringen.
    • Kunnen reflecteren op het eigen handelen.
  • Sociaal-emotionele ontwikkeling
    • Samenwerken.
    • Kunnen overleggen, waarbij al naar gelang de situatie afwisselend een leidinggevende rol en een volgende rol ingenomen worden.
    • Kunnen verdelen van eenvoudige taken.
    • Omgaan met (spel)regels.
    • Afspraken kunnen maken en zich daar ook aan kunnen houden.
    • Kunnen omgaan met uitgestelde behoeftebevrediging.
    • Kunnen omgaan met uitgestelde aandacht.
    • Omgaan met emoties.
    • Kunnen benoemen en uitbeelden van gevoelens.
    • De ontwikkeling van een positief zelfbeeld.
    • Begrip hebben en ontwikkelen voor andere culturen en gewoontes.
  • Motorische ontwikkeling
    • Grove motoriek.
    • Fijne motoriek.

De taken op opdrachtkaarten zijn divers van karakter. Daarbij is aangesloten op het type speel-leeractiviteiten dat gebruikelijk wordt aangeboden in groep 1-2. Onderstaand een globale opsomming van de aard van de taken.

  • Tekenen/schilderen
  • Constructietaken
  • Knutselen
  • Vouwen
  • Kleien
  • (Experimenteel) spel in hoeken
  • Samenspel met materiaal
  • Rollenspel
  • Poppenkastspel
  • Spreken/luisteren
  • Informatie verwerving en informatie verwerking
  • Knippen/plakken bij collages en praatplaten
  • Ordenen, rubriceren en classificeren
  • Taken m.b.t. voorbereiden lezen/schrijven en rekenen
  • Aanvankelijk lezen & schrijven

Door aan te sluiten op de in groep 1-2 gebruikelijke activiteiten en gebruik te maken van normaal op school aanwezige materialen kunnen nagenoeg alle opdrachten in de eigen groep worden uitgevoerd.

Vorige bladzijde


kleurig geregeld